De Staat van het Onderwijs 2026 is bekend: wat betekent dit voor studenten?

Dit artikel is in samenwerking met Studenten.com geschreven.

Woensdag 15 april heeft Alida Oppers, Inspecteur-generaal van het Onderwijs, de Staat van het Onderwijs 2026 overhandigd aan de Minister en Staatsecretaris van Onderwijs. Dit rapport wordt jaarlijks overhandigd door de Inspectie van het Onderwijs aan het Ministerie van Onderwijs. In dit rapport wordt de kwaliteit van het onderwijs onder de loep genomen. In dit artikel lees je wat dit concreet betekent voor opleidingen in het middelbaar en hoger onderwijs.
 

Even terug: hoe is dit rapport eigenlijk tot stand gekomen? 225 jaar geleden werd de Inspectie van het Onderwijs opgericht. In de wet werd vastgelegd dat de overheid verantwoordelijk is voor goed onderwijs en dat er toezicht moest komen op de kwaliteit. De inspectie houdt toezicht door onder andere het uitvoeren van steekproefonderzoeken en risico-onderzoeken op scholen en opleidingen. De uitslagen van deze onderzoeken zijn uitgebreid beschreven in het rapport. De belangrijkste onderwerpen voor studenten worden hieronder toegelicht. 

Kwaliteit van opleidingen

Sinds 2024 brengt de inspectie de kwaliteit van het onderwijs in kaart door middel van jaarlijkse steekproefonderzoeken. Hieruit blijkt dat in 2024 en 2025 53% van de mbo-opleidingen als voldoende zijn beoordeeld en 44% als onvoldoende. De opleidingen worden beoordeeld op verschillende onderdelen. Denk hierbij aan de basisvaardigheden, aanbod, ontwikkeling en begeleiding, veiligheid, borging diplomering en studiesucces. Het onderdeel studiesucces kreeg bij de meeste opleidingen een onvoldoende. Bij dit onderdeel wordt er gekeken naar de aantal studenten die een mbo-opleiding afrondt. Daarentegen blijkt dat opleidingen in het hoger onderwijs (hbo en wo) voldoen aan de basiskwaliteit.

Teruglopende studentenaantallen

De grootste financiële uitdaging in het hoger onderwijs ligt bij de teruglopende studentenaantallen. Tegen 2034 zullen er volgens het OCW naar schatting 10% minder studenten zijn dan nu. Aangezien universiteiten een bedrag per student ontvangen, dalen hierdoor de inkomsten. Dit terwijl universiteiten aangeven dat hun takenpakket daarmee niet kleiner wordt, onder andere door extra aandacht voor kennisveiligheid, digitale weerbaarheid en sociale veiligheid. Deze combinatie legt druk op de organisatie en strategie van universiteiten. Hierdoor kan je gaan merken dat bepaalde voorzieningen voor studenten toch kunnen gaan wegvallen, omdat jouw opleiding deze niet meer kunnen betalen.

De in 2024 aangekondigde structurele bezuinigingen op het wo – die mogelijk teruggedraaid worden door het nieuwe kabinet – vormen geen directe problemen. Wel zorgen ze voor financiële druk, waardoor instellingen strategische keuzes moeten maken die gevolgen hebben voor studenten, personeel en opleidingen. Universiteiten proberen de gevolgen voor onderwijs en onderzoek te beperken door geleidelijk en evenwichtig te bezuinigen, maar erkennen dat deze aanpak op termijn niet voldoende is. Structurele maatregelen, zoals bijvoorbeeld het samenvoegen of beëindigen van bepaalde opleidingen, zien zij dan als onvermijdelijk. Ook dit kan leiden tot veranderingen en het maken van harde keuzes.

 

Met een deel van de leerlingen en studenten gaat het niet goed

Er zijn wereldwijd aanhoudend signalen dat jongeren kampen met mentale problemen en psychische klachten. Dit kan er voor zorgen dat studenten meer hulp nodig hebben. Zo bleek uit onderzoek naar 10 mbo-instellingen dat het aantal hulpvragen toeneemt in aantal, complexiteit en ernst. Oorzaken die worden genoemd zijn de nasleep van de coronacrisis, opvoedproblematiek en sociale media, maar ook de toegenomen erkenning en bespreekbaarheid van mentale problemen. Mbo-instellingen proberen maatwerk te bieden, maar lopen tegen grenzen aan door bijvoorbeeld wachtlijsten in de zorg.

 

In het hoger onderwijs wordt een 'good practice' aangehaald: Caring Universities, een consortium van 9 universiteiten en hogescholen, zet zich in om het studentenwelzijn te verbeteren. Aan de hand van een jaarlijkse ‘Health Check’ onderzoekt het consortium hoe het gaat met studenten, zodat op tijd hulp geboden kan worden. Ook bieden de instellingen laagdrempelige, online zelfhulpmodules aan voor studenten die kampen met stress, angst, somberheid of studiegerelateerde problemen (moodlift.nl).

 

Spanningen in hoger onderwijs

Het rapport besteed ook aandacht aan de spanningen in het onderwijs rondom Gaza. Een deel van de studenten en medewerkers eist dat besturen de banden met Israël verbreken. Veel instellingen hebben commissies ingesteld om de samenwerking met Israëlische instellingen te toetsen. Een aantal instellingen heeft daadwerkelijk de samenwerkingsafspraken met Israël opgeschort en/of besloten geen nieuwe samenwerkingsvormen aan te gaan. Op verschillende universiteiten en hogescholen hebben betogers meermaals gedemonstreerd voor het beëindigen van de banden met Israël, en op sommige locaties, met name universiteiten, zijn gebouwen door actievoerders bezet. Het roept interessante vragen op over de verantwoordelijkheid van het onderwijs in dit soort kwesties.

 
Taalvaardigheid 

Uit het rapport blijkt dat taalbewust onderwijs een belangrijk onderwerp is in het mbo, er is steeds meer aandacht voor taal in alle vakken. In de praktijklessen wordt er aandacht besteed voor vaktaal. Bij beroepsopdrachten is er aandacht voor formuleren en presenteren. Wel blijkt dat studenten in het mbo niet altijd gemotiveerd zijn voor taal. Bij het geven van goed taalonderwijs is het belangrijk om rekening te houden met grote verschillen in taalniveau. Ondanks deze ontwikkelingen blijkt dat het percentage gediplomeerde studenten van mbo 2,3 en 4-opleidingen met een voldoende voor het examen Nederlands vorige studiejaar is gedaald ten opzichte van een jaar eerder. 32,4% van de gediplomeerde studenten met een mbo 2 -opleiding verlieten het onderwijs zelfs met een te laag taalniveau. 

Onderwijsloopbaan

Uit onderzoek van de inspectie van het Onderwijs blijkt dat het aantal mbo-studenten flink is gestegen. In 2024 stroomden ruim 105.000 leerlingen door naar het mbo, ruim 8.000 meer dan in 2023. Ook naar het hoger onderwijs stroomden in 2024 meer vo-leerlingen door dan in 2023. De stijging ging hier om ongeveer 3.000 leerlingen. 

Ook is te zien dat er regionale verschillen zijn in de doorstroom naar mbo-bol of mbo-bbl opleidingen. In de Randstad stromen gediplomeerde leerlingen vaak naar een bol-opleiding op niveau 4. Terwijl in de landelijke regio’s vaak wordt gekozen voor een bbl-opleiding. Dit heeft mogelijk te maken met de vele eigen familiebedrijven in deze regio’s, waardoor studenten daar vaak meteen aan het werk kunnen. Ook spelen reisafstanden en vraag naar personeel hierbij een grote rol voor studenten. De meeste gediplomeerde havoleerlingen kiezen voor een hbo-opleiding en de meeste vwo-gediplomeerden kiezen voor een wo-opleiding. Er gaat nog steeds maar een klein deel van de havoleerlingen naar het mbo.

Aansluiting op de arbeidsmarkt

Uit onderzoek blijkt dat de positie op de arbeidsmarkt voor mbo-studenten afhankelijk is van de gevolgde mbo-opleiding. Ook spelen de eerdere schoolloopbanen hierbij een grote rol. Daarnaast vindt ongeveer 40% van de studenten die een hbo-bachelor afronden in het jaar van diplomeren al een voltijdbaan. Ongeveer de helft van de studenten die een wo-master hebben behaald vinden in het diplomajaar al een voltijdbaan. De verschillen in de vooropleidingen hebben hier weinig invloed op. 

Tot slot zijn er in alle onderwijsrichtingen verschillen in de arbeidsmarksectoren. In 2024 hadden mbo‑studenten uit onder andere de sectoren zorg, welzijn en sport en mobiliteit, transport en maritiem het vaakst een baan in loondienst, terwijl dit bij entree en specialistisch vakmanschap het minst voorkwam. Studenten met een hbo-opleiding hadden het vaakst werk met een diploma in de sector onderwijs en gezondheidszorg. Bij studenten met een wo-opleiding werd ook het vaakst werk gevonden in de onderwijssector.

Individualisering en prestatiedruk

Veel sterker dan voorheen wordt dat wat je bereikt ook door anderen als jouw verdienste gezien. De prestatiedruk zorgt ervoor dat ‘falen’ in feite geen optie is voor leerlingen en studenten. Tegelijkertijd doet de vraag om maatwerk een groot beroep op de vaardigheden van docenten. Die tijd en expertise zijn er bij scholen en opleidingen niet altijd, in verband met een tekort aan leraren of schoolleiders.

Verminderd welzijn wordt volgens een recent advies van de Onderwijsraad (2026) in onderzoek en beleid vooral benaderd als een individueel probleem, wat scholen aanzet tot een zorggerichte, individuele aanpak, die heel intensief is en veel vraagt. Terwijl het vaak gaat om structurele problemen. De Onderwijsraad pleit daarom voor een breder perspectief op verminderd welzijn, zodat er ook structurele oplossingen kunnen komen om bij te dragen aan welzijn.

 

Dit artikel is ook gepubliceerd op de website Studenten.com.
Klik hier om het artikel te openen. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.